
Fransje Heijkoop kwam terecht in een warm bad om vervolgens van een koude kermis thuis te komen: ‘Is dit de wereld waarin ik leef?’
13 maart 2024 om 17:00 ColumnVol verwachting ging ik naar het gemeentehuis waar, in het kader van Internationale Vrouwendag, om vier uur ‘s middags vrouwen een zorgeloze tijd zouden doorbrengen in de ontmoetingsruimte van Welzijn Ermelo. Geen gebrek aan vrijwilligsters. Binnen enkele minuten had ik een sticker met mijn naam erop en een glas sap in mijn hand. Ik schat dat er in totaal zo’n 90 vrouwen waren, welgeteld kende ik er drie.
Iedereen kletste er lustig op los, maar in één hoek was het stil. Er zaten acht Turkse vrouwen. Misschien nog wel uit te rusten van al die heerlijke gerechten die zij en de andere aanwezigen gemaakt hadden: pilav met groenten, couscous, maaltijdsalades van linzen en spinazie, Turks brood, kurkuma sabzi en meer. Omdat ik 15 jaar in Amersfoort voor Turkse en Marokkaanse vrouwen vrijwilligerswerk had gedaan, ging ik bij hen zitten. Moeders met dochters, tweede en derde generatie. De ouders die nog leefden waren teruggekeerd naar Centraal Anatolië maar deze vrouwen wilden het liefst in Ermelo blijven. Ik geef ze geen ongelijk.
De volgende ochtend om 10 uur schoof ik aan bij een vroege Turkse brunch in Amersfoort. Mijn sloffen stonden bij binnenkomst al klaar en de kinderen waren opgetrommeld want ‘oma Fransje’ komt. Ik was bij de geboorte van hun eerste kind. Het was een emotioneel weerzien. De inmiddels 37-jarige dochter noemt me nog steeds oma.
Na de brunch brachten ze me naar een rooms katholieke kerk in Soesterberg voor een uitvaart van een moeder uit de vriendinnenkring van mijn dochter. De mis was hoogdravend. Een priester zoals ik ze kende uit de jaren ‘70. Omdat het nostalgisch was, zong ik de Latijnse liederen mee maar om mij heen bleef het stil. Naast mij in een rolstoel zat een man die zachtjes meezong. Hij bleek alleen te zijn en vroeg mij bij de communie een hostie voor hem te halen.
Na afloop duwde ik hem via een zijgang de kerk uit. Zijn benen bungelden bijna op de grond want hij was de steunen vergeten. Hij was dus alleen gekomen en ging niet mee naar het kerkhof maar bleef wachten op een taxibus. Toen iedereen na 45 minuten terugliep om de auto’s op te halen, zat de arme man, blootshoofds in een dun wollen jasje en met roodomrande ogen, nog steeds te wachten op de taxibus. Niemand die even met hem sprak. Allemaal snel snel naar de broodjes, koffie, wijn en hapjes!
Ik ging naar hem toe en voelde dat zijn handen warm waren maar zijn neus was blauw van de kou. Nu schieten mijn ogen vol. Is dit de wereld waarin ik leef? Mijn dochter bracht me naar het station. Het was klokke vier uur, een etmaal later. De lucht en ik waren somber. Die twee parallelle werelden, zó verschillend. Omzien naar elkaar heeft toch niets te maken met afkomst of religie? Ben ík nou gek?
Fransje Heijkoop















