
Columnist Philippe Abbing over de wijsheid van walvispoep: ‘Eén drol op de goede plek brengt meer leven dan duizend kilo op de verkeerde’
21 november 2025 om 17:30 ColumnERMELO Blauwe vinvissen poepen tussen de 3 en 4000 kg per dag. De poep is enorm belangrijk voor de groei van fytoplankton in zee. En het fytoplankton is weer enorm belangrijk voor de absorptie van CO2, de productie van zuurstof en het hele maritieme ecosysteem. Dat is niet alleen heel veel poep, maar het komt ook nog eens op de juiste plek terecht. Namelijk aan het oppervlak, daar waar het fytoplankton groeit en de zon schijnt.
De blauwe vinvis is een levende mestverspreider die precies ‘weet’ waar en wanneer hij moet ‘bemesten’. Door op grote diepte te jagen en naar de oppervlakte te zwemmen, brengt hij voedingsstoffen van de diepzee naar boven - daar waar het licht is.
Het is alsof deze zeeuwzen perfecte landbouwers zijn. Ze oogsten uit de diepe oceaan en bemesten de ‘akkers’ aan het oppervlak. Het resultaat? Een bloeiend onderwaterparadijs dat jaarlijks miljarden tonnen CO2 opneemt en zuurstof produceert.
Door walvisjacht zijn er veel te weinig van deze natuurlijke ‘mestverspreiders’ over. Waar ooit tienduizenden oceanen bemestten, doen nu nog maar enkele duizenden dit werk, te weinig voor hun cruciale rol in het ecosysteem.
Wij produceren ook massa’s stikstof en mest. Het dwarrelt neer op plekken waar de bodem al verzadigd is, waar de natuur geen adem meer krijgt. Terwijl de walvis zijn kringloop onderhoudt, hebben wij de onze opengebroken.
De gevolgen zien we om ons heen: heidevelden waar nog maar één grassoort overblijft, insecten die verdwijnen, bossen die langzaam verarmen. De natuur raakt uit evenwicht omdat wij slecht luisteren naar de natuurlijke logica van plek, tijd en maat.
Het is niet dat stikstof op zich slecht is — net als walvispoep is het voeding. Maar alleen als het op de juiste plek terechtkomt, in de juiste hoeveelheid. Daar zit de wijsheid van de walvis: die mest niet uit overvloed, maar uit noodzaak, precies daar waar het leven het nodig heeft.
Misschien moeten we in het stikstofdebat wat minder praten over regels, reductiepercentages en rekenmodellen, en wat meer over herstel van die natuurlijke kringloop. Over boeren die weer weten wat hun land nodig heeft. Over ruimte voor natuur om zichzelf te herstellen. Over vertrouwen in systemen die zichzelf kunnen dragen, als we ze maar de kans geven.
De walvis weet dat één drol op de goede plek meer leven brengt dan duizend kilo op de verkeerde. Misschien ligt dáár de les voor ons stikstofbeleid: minder sturen op wat er uit ons komt, en meer op waar het terechtkomt.
Philippe Abbing















