
Bestuur Harderwijk was te meegaand tijdens Tweede Wereldoorlog blijkt uit onderzoek streekarchivariaat Noordwest-Veluwe
25 januari 2024 om 20:00 HistorieHARDERWIJK Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Harderwijk geen Joods vastgoed aangekocht en ook niet bemiddeld in de verkoop van voormalige Joodse bezittingen. Het enige verwijt is dat het gemeentebestuur van Harderwijk bij tijd en wijle een zeer meegaande houding had. Dat sluit aan bij het algemene beeld dat gemeenten vertoonden.
Tijdens de periode na de Tweede Wereldoorlog heeft de gemeente, zo blijkt uit onderzoek, wel juridisch juist gehandeld. Maar zich wel erg bureaucratisch en kil opgesteld. Zo werden verschuldigde belastingen op het vastgoed verhaald en het teruggeven van het vastgoed duurde jarenlang. Het onderzoek naar de opstelling van Harderwijk in de oorlogsjaren is uitgevoerd door het Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe.
Uit het onderzoek blijkt dat Harderwijk kort na het begin van de oorlog te maken kreeg met zo’n achtduizend evacuees, vooral uit Nijkerk. Die stad werd zwaar getroffen door de gevechten rondom de Grebbelinie waardoor veel inwoners hun huis en haard verloren. Ten aanzien van de bezetters stelde de gemeente zich lijdzaam op. Toenmalig burgemeester De Jong Saakes riep 13 mei 1940 de bevolking van Harderwijk op zich angstvallig te onthouden van alle gedragingen die de Duitsers zouden kunnen prikkelen. Men moest zich onderwerpen aan de ordemaatregelen van de vijand voor zover die niet strijdig waren met de verplichting die op de bevolking als Nederlanders bleven rusten.
RASSENLEER
In 1941 werd H. C. Vos geïnstalleerd als nieuwe burgemeester van Harderwijk. Hij was lid van het Nationaal Front, een fascistische beweging. Al werd de door de nazi’s gepropageerde rassenleer en de daarop gebaseerde Jodenvervolging afgewezen. Men zag de Joden wel als tweederangsburgers en zagen hen als de bon van vele maatschappelijke problemen.
De gemeenteraad werd in 1941 op non-actief gesteld waardoor de macht bij de burgemeester kwam te liggen die zes raadsleden tot zijn beschikking kreeg om hem van advies te dienen. Vos weigerde mee te werken aan de werving van vrijwilligers voor de Waffen-SS. In Harderwijk werd ook massaal deelgenomen aan de 1 mei staking. De toenemende spanningen leiden ook tot de arrestatie van verzetsmensen en mensen die zich niet hadden gehouden aan de strenge verordeningen door bijvoorbeeld te luisteren naar een verboden zender. Geleidelijk aan begon burgemeester Vos zich steeds meer te zetten tegen de bezetter en NSB’ers waardoor zijn positie in gevaar kwam. Hij dook na ‘Dolle Dinsdag’ onder, omdat hij zowel de Duitsers vreesde als de geallieerden.
Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog woonden in Harderwijk elf Joodse gezinnen. Formeel stonden begin 1940 acht Joodse gezinnen ingeschreven als inwoner met in totaal dertig personen. Gedurende de oorlog meldden zich nog vier Joodse personen als inwoner. De exacte omvang van de Joodse gemeenschap kan echter slechts bij benadering worden bepaald, omdat niet bekend is hoeveel Joden illegaal in Harderwijk verbleven.
De gemoedelijke en zorgeloze leefwijze van de kleine gemeenschap werd ruw doorkruist door de inval van de Duitsers. Ondanks de relatief kleine omvang van de Joodse gemeente in Harderwijk werd de stad met slechts elf overlevenden uit twee ondergedoken gezinnen één van de zwaarst getroffen gemeenten in de provincie Gelderland.
Harderwijk ontkwam niet aan het beperken van de bewegingsvrijheid van de Joodse inwoners. De medewerkers van de gemeente verleenden trouw medewerking aan de bezetters, afgezien van individuele acties van heimelijk verzet. Ambtenaren zagen zich vanuit hun functie genoodzaakt af te wegen wat de gevolgen van toegeven of tegenwerken zou zijn. Veel ambtenaren zagen zich als slachtoffer van het regime.
Na de oorlog werd ingezet op rechtsherstel. De overlevende Harderwijker Joden moesten echter tot het begin van de jaren vijftig van de twintigste eeuw wachten voor hun dossiers rond het rechtsherstel konden worden afgesloten. Soms moest hiervoor jarenlang een frustrerende procedure worden doorlopen voor de nabestaanden hun recht konden verhalen. De gemeente ging bovendien over tot het opleggen van een naheffing van belastingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog niet waren betaald. Ook moesten leges worden betaald voor het opmaken van overlijdensaktes.
Uit het onderzoek blijkt dat drie woningen door de Duitse bezetters werden verkocht aan NSB’ers uit Harderwijk. De gemeente kocht zelf geen panden aan. De algehele conclusie van het onderzoek is dat de gemeente zowel tijdens als na de Tweede Wereldoorlog steken heeft laten vallen. Onder meer door bij dossiers bijzonder bureaucratisch en kil op te stellen. De Joodse inwoners kregen een dak boven hun hoofd, maar moesten soms jarenlang wachten voordat de gemeente een woning vrij gaf aan de erfgenamen van de oorspronkelijke Joodse bezitters van een woning. Het feit dat Benjamin Härtz pas na zes jaar het pand van zijn vader terugkreeg spreekt volgens de onderzoekers boekdelen.











