Het huis aan de Ericalaan in Ermelo waar het drama van de nacht van 22 op 23 maart 1943 zich deels voltrok. Hier werden onlangs Stolpersteine gelegd.
Het huis aan de Ericalaan in Ermelo waar het drama van de nacht van 22 op 23 maart 1943 zich deels voltrok. Hier werden onlangs Stolpersteine gelegd. Wijnand Kooijmans

Het dramatische verhaal van de nacht van 22 maart 1943: Ermelose werkgroep Joodse oorlogsslachtoffers wil blijvende aandacht

3 mei 2024 om 19:00 Herdenkingen Tips van de redactie

ERMELO Er moeten zo’n 130 Joodse mensen in Ermelo gewoond hebben. Zeker dertig overleefden de Tweede Wereldoorlog niet. Belangstelling voor hun lot ebt weg. Reden om de werkgroep Joodse oorlogslachtoffers op te richten.

Tijdens een gesprek kwamen Jan van Eijsden, Steven van Loo en Jan Benschop tot de conclusie dat de belangstelling wegebde voor wat er met de Joden is gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat werd gezien als een ongewenste ontwikkeling. De oprichting van de werkgroep was al gauw een feit. Steven van Loo trok zich terug, voor hem in de plaats kwamen Hans Slingerhand en Evert de Graaf. De laatste is weliswaar in Putten woonachtig maar staat bekend als historicus als het gaat om de Tweede Wereldoorlog.

Door de werkgroep werd het idee van Stolpersteine naar buiten gebracht. Daarnaast wil men leerlingen van scholen meer betrekken bij het verleden. Men wil de gruwelijke gevolgen van racisme en antisemitisme naar voren brengen. 

DRIE FAMILIES HERDACHT MET STOLPERSTEINE 

Men heeft zich ook verdiept in de geschiedenis van de drie families waarvoor onlangs de eerste Stolpersteine in Ermelo werden gelegd. Dat is het onder meer het verhaal van de nacht van 22 op 23 maart 1943, door hen aangeduid als de meest dramatische nacht tijdens de oorlogsjaren. Het drama voltrok zich op twee adressen: Watervalweg 110 en Ericalaan 61 (Vinkenslag).

Aan de Watervalweg woonde de familie Staal. Het gezin bestond uit Levie en Elisabeth Staal en hun kinderen Abraham (13), Betje (11) en Jacob (9). Ook de moeder van Elisabeth Betje Staal-Morpurgo kwam bij hen wonen. In de zomer van 1941 verhuisden ze naar de vakantiewoning Brem en Den. Volgens de werkgroep hebben waarschijnlijk twee Puttense politieagenten Jille Haaitsma en Dirk Zehnfennig, onder leiding van de beruchte NSB-burgemeester Klinkenberg, Hugo Hirsch uit het dorp gevolgd naar de Watervalweg. Hij was een kennis van de familie Staal en zat met zijn moeder Selma Hirsch-Rosentahl tevens ondergedoken in Ermelo. 

Om een uur of tien werd een inval gedaan die chaotisch en zeer gewelddadig verliep. De oude moeder Staal, Betje en Jacob werden uit de gangkast gehaald. Abraham, die later Aby werd genoemd, werd onder het bed gevonden. Ook Hugo Hirsch werd opgepakt.

GESCHOPT, GESLAGEN, GEDEPORTEERD EN VERMOORD

Hugo Hirsch werd in het politiebureau in Putten door burgemeester Klinkenberg en marechaussee Stap op een vreselijke manier mishandeld. Hij werd tot bloedens toe geschopt en geslagen. In de jaszak van Hugo werd een foto gevonden van het pand Vinkenslag aan de Ericalaan. 

De volgende morgen werd er een huiszoeking gedaan. Daar werd zijn moeder aangetroffen die direct na de arrestatie op de stoep werd gezet. Een buurman haalde haar binnen en zei tegen de burgemeester het een schandaal te vinden een oude vrouw zo te mishandelen. Ze werd desondanks vastgeketend aan een tafelpoot. Door een paar goede agenten werd bereikt dat Selma werd opgenomen in ziekenhuis Salem in Ermelo.

Aby had ondertussen weten te ontsnappen en zou uiteindelijk de oorlog overleven. De familie Staal werd twee dagen later, op 25 maart 1943, naar Westerbork vervoerd en 30 maart op transport naar Sobibor gezet. Vrijwel direct na aankomst daar werden ze vermoord.

De opname van Selma in het ziekenhuis kon niet verhinderen dat ze gelijk met de familie Staal naar Westerbork werd afgevoerd waar later ook haar zoon Hugo arriveerde. Hugo en zijn moeder werden 30 maart alweer weggevoerd uit Kamp Westerbork. Selma werd 3 april 1943 vermoord in Sobibor, Hugo 10 december 1944 in Bergen Belsen.

TOEVLUCHT IN ERMELO

De laatste plek waar Stolpersteine werden gelegd was aan de Stationslaan 41 waar de familie Kasper, vader en moeder Julius en Olga met hun dochter Ruth en zoontje Simon woonden. Toen de nazi’s aan de macht kwamen concludeerden ze al snel dat het beter was uit Duitsland te vertrekken en naar Nederland te gaan.

Na het bombardement op Rotterdam zocht de familie Kasper hun toevlucht in Ermelo. Vader en moeder Kasper vestigden zich aan de Stationslaan. Zoon Arnold van het gezin heeft daar ook ingeschreven gestaan maar het is niet duidelijk of hij daar ook daadwerkelijk heeft gewoond. Twee andere kinderen Leo en Rosa hadden Duitsland al eerder verlaten en overleefden de oorlog.

Met Julius en Olga gingen ook Hans en diens vrouw Hildegard en hun zoontje Klaus en dochter Ruth naar Ermelo waar ze gingen wonen aan de Leuvenumseweg 16.

BEVEL DUITSE BEZETTER

Ze volgden allemaal in 1943 het bevel op van de Duitse bezetter zich te melden in Kamp Vught. Olga, al ziek, overleed daar. Julius, Ruth en Simon werden op verschillende data naar Westerbork vervoerd, het doorgangskamp naar de vernietigingskampen in Duitsland. Julius vertrok 11 mei 1943 naar Sobibor waar hij direct werd omgebracht. Ruth en Simon werden 31 augustus 1943 naar Auschwitz vervoerd en daar aansluitend vermoord. Simon was nog maar vier jaar.

Ook Hans en zijn gezin worden omgebracht in Sobibor. Arnold kwam wel in Westerbork terecht maar werd vrijgelaten omdat hij was getrouwd met een niet-Joodse vrouw met wie hij een kind had. Bekend is dat hij de oorlog overleefd heeft maar van hem en zijn gezin is verder niets bekend. De werkgroep hoopt met nazaten van hem in contact te komen om te horen wat er met de familie is gebeurd.

Mail de redactie
Meld een correctie

Wijnand Kooijmans
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie