
Bezwaar tegen besluit van college Ermelo ongegrond; onvoldoende onderbouwing waarom indiener partij is
23 juli 2025 om 16:00 PolitiekERMELO Het bezwaarschrift van Lisuda Vastgoed tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders hun handhavingsverzoek tegen tien horecabedrijven niet ontvankelijk te verklaren wordt ongegrond verklaard. Het college neemt met dit besluit het advies over van de onafhankelijke commissie bezwaarschriften.
In het handhavingsverzoek werd door Lisuda gesteld dat de tien bedrijven onvoldoende parkeerplaatsen hebben. Lisuda is eigendom van Gert Jan Tomassen die ook het restaurant Lazy Tiger in zijn bezit heeft. Door de gemeente wordt tegen het restaurant handhavend opgetreden vanwege het niet voldoen aan de parkeereisen.
GEEN PARTIJ
De commissie is van mening dat Lisuda geen belanghebbende is bij het bestreden besluit en om die reden het bezwaarschrift niet ontvankelijk moet worden verklaard. Dat betekent ook dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld.
De commissie geeft aan dat Lisuda niet heeft onderbouwd op welke manier daadwerkelijk hinder wordt ondervonden bij de mogelijke overtreding van de parkeernorm bij één van de tien andere horeca bedrijven. Mede gezien de anderhalve kilometer afstand tussen Lazy Tiger en de genomen horeca bedrijven.
TWEE MATEN
Dat Lisuda aanvoert dat de gemeente met twee maten meet betekent volgens de commissie niet dat het vastgoedbedrijf daarmee als belanghebbende moet worden aangemerkt.
Gert Jan Tomassen gaf eerder aan zich genoodzaakt te zien de handhavingsverzoeken in te dienen omdat de gemeente Ermelo naar zijn mening met twee maten meet. Hij moest de deuren van zijn restaurant Lazy Tiger gesloten houden vanwege opgelegde dwangsommen door het college van burgemeester en wethouders wegens het ontbreken van voldoende parkeerplaatsen.
Om die reden heeft hij de gemeente verzocht alle andere horecabedrijven onder de loep te nemen en ook handhavend op te treden tegen concurrenten waar in het geheel niet handhavend wordt opgetreden.
Aangevoerd wordt dat Lisuda geen horecaondernemer is maar een vastgoedbedrijf. Uit de stukken heeft de commissie afgeleid dat Lisuda het restaurant niet zelf exploiteert. Op grond daarvan wordt gesteld dat Lisuda geen concurrent is van de tien bedrijven. Maar ook indien Lisuda wel een horecaondernemer zou zijn maakt dit niet dat zij belanghebbende is.
GEVOLGEN
Volgens de commissie moet de onderneming dan in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam zijn. Lisuda moet onderbouwen dat dit zo is en welke gevolgen zij heeft van het feit dat andere horecabedrijven niet zouden voldoen aan de parkeernormen. Dat heeft naar de mening van de commissie Lisuda niet onderbouwd.
De commissie is van oordeel dat Lisuda geen feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt bij de gestelde overtredingen van de parkeernorm. Daarmee ontbreekt het persoonlijk belang en heeft het college bij de behandeling van het bezwaarschrift terecht dit niet inhoudelijk beoordeeld.
Wijnand Kooijmans















