
Columniste Fransje Heijkoop herinnert zich de watersnoodramp van ‘53: ‘In de ijskoude huiskamer stonden wij gekluisterd aan de radio’
31 januari 2026 om 17:30 ColumnERMELO Breda, 31 januari 1953. Het was voor mijn ouders een hele organisatie om met 7 kinderen tussen de 2 en 14 jaar op bezoek te gaan in het nonnenklooster Mariënburg in Den Bosch. Moeder overste en 3 andere nonnetjes waren mijn vaders half zussen. Met grote kappen op en zeer zedige kleding werden we haast doodgeknuffeld. Eigenlijk vonden we het een beetje eng. Ik begrijp dat knuffelen wel. Moederliefde laat zich nu eenmaal niet het hele jaar door dwarsbomen door religieuze kloosterdiscipline en rigide zedigheid. Wij werden volgestopt met lekkers en voor vertrek kwam de mand met gehaakte en gebreide spulletjes, die nu eens niet allemaal bestemd waren voor de missie in Afrika.
De tocht naar huis in een bijna donkere trein van Den Bosch naar Breda ben ik nooit vergeten. Bulderende wind, schokkende trein en vooral ijzig koud. Toch mijn oudere zus Mieke gevraagd wat zij zich herinnerde. Zondag was 1 februari. Ogenschijnlijk was er niets aan de hand. Inmiddels had de grootste watersnoodramp in de geschiedenis van de Nederlanden plaats gevonden. Van de hele infrastructuur, waaronder telefonie en telegrafie, was niets over. Dat verklaarde de letterlijk doodse stilte. De combinatie van springtij door volle maan en noordwesterstorm met windkracht 11 en uitschieters tot 135 km per uur werd Zeeland en West-Brabant fataal.
Op 1 februari om 2 uur ‘s nachts sloeg het water over de kademuren en een 1 uur later braken de dijken. Er stierven 1836 mensen en kinderen door verdrinking of ten gevolge daarvan. Agrariërs verloren 47.000 stuks vee en 140.000 stuks pluimvee en 72.000 mensen werden geëvacueerd.
Al 20 jaar lang had Johan van Veen van Rijkswaterstaat gewaarschuwd voor onze erbarmelijke en levensbedreigende nationale waterhuishouding. Hij werd blijkbaar niet geloofd. Wij zijn een hardleers volk.
Mijn zus herinnert zich dat we kleding inzamelden. Nu, 70 jaar later, bulken we van kleding. Maar toen Mieke haar geliefde vestje doneerde, was dat een grote daad van onbaatzuchtigheid. De norm van het aantal kledingstukken was toen 3 stuks: 1 paar aan, 1 paar in de kast en 1 paar in de was.
Pas maandagnacht 2 februari hoorde mijn vader het. Hij was journalist bij dagblad De Stem, voor Brabant en Zeeuws-Vlaanderen. Moeder haalde ons uit bed. In de ijskoude huiskamer stonden wij gekluisterd aan de radio. De verslagen vanuit daar waren hartverscheurend. Mijn vader was dagenlang weg.
Maanden later fietsten de oudste 4 op een dag met vader naar de plek tot waar het water was gekomen. Een troosteloze blik. Overal in het prikkeldraad zat nog schapenvacht.
Er staan ons nieuwe uitdagingen te wachten en voel wat lichtpuntjes maar ik kan niet anders dan anno 2026 constateren dat we nog met teveel mensen zijn die aan struisvogelpolitiek lijden en niet de ernst van de geopolitieke spanning inzien.
Fransje Heijkoop
















