Afbeelding
Chris Abbing

Columnist Philippe Abbing over de slappe was : ‘Geld is dus geen kwestie van hoeveelheid, maar van ademruimte’

6 december 2025 om 16:00 Column

ERMELO Wij Nederlanders behoren tot de rijkste mensen ter wereld. Nummer vier, geloof ik. Gemiddeld bezit de Nederlander 129.000 euro. Geen zakken vol contant geld natuurlijk — het zit vooral in bakstenen. We zijn rijk op papier, zolang we niet hoeven te verhuizen. Zo’n 70 procent van de Nederlanders bezit een huis, terwijl dat in Duitsland rond de 50 procent ligt. Dat verschil heet hier hypotheekrenteaftrek en daar huurdersrealiteit.

Maar eerlijk is de verdeling niet. De rijkdom in Nederland lijkt een taart waarvan 10 procent van de gasten 61 procent opeet, en het topje van 1 procent zelfs een kwart. De rest mag de kruimels van de grond tikken — of, in mijn geval, een vijftig cent muntje op straat.

Toen ik in 1991 mijn eerste lerarenbaan kreeg, voelde ik me rijk met 1820 gulden per maand. Een fortuin, vond ik toen — gewend aan een studentenbeurs en wat ouderlijk bijplakgeld. Omgerekend is dat nu 826 euro. Ver onder bijstandsniveau. Maar ja, dat ‘mag je niet vergelijken’. Onze economie is een soort perpetuum mobile: groei vraagt om inflatie, inflatie vraagt om hogere lonen, en die zorgen weer voor duurdere spullen. Sinds 1991 is de inflatie zo’n 124 procent geweest. Geld is een illusie die we samen in stand houden.

In de bankenwereld weten ze dat als geen ander. Daar is geld een taal, geen realiteit. Een bestuurder die miljoenen verdient, krijgt er nog een bonus bovenop — en niemand knippert met de ogen. Of denk aan filosoof Bas Haring, die bij de ABN een uurtje mocht praten. ,,Kijk maar wat je het waard vindt,” zei hij. Ze keken. Het was 8500 euro waard.

Mijn zoon was gelukkig met zijn zakgeld en het loon van zijn bijbaantje — tot hij een brommer kocht en de verzekering hem liet voelen hoe duur vrijheid kan zijn. Een jonge collega juichte toen ze eindelijk een appartement in Amsterdam vond, maar rekent nu maandelijks 2200 euro af met de realiteit en vraagt om extra werk om dit te financieren.

Geld is dus geen kwestie van hoeveelheid, maar van ademruimte. En die wordt bij de een een penthouse, bij de ander een beklemming.

Ik glimlach nog steeds als ik 50 cent op straat vind. Het voelt als gratis geluk. Maar misschien is dat wel de kern van onze economie: de een vindt vijftig cent, de ander vijftig miljoen — en de politiek beslist wie er mag bukken. Terwijl de belasting op arbeid hoog blijft, het vermogen grotendeels wordt ontzien en de koopkracht van werkenden verdampt in stille inflatie. Armoede is allang geen fout meer in het systeem. Het is het systeem — en dat is een keuze.

Philippe Abbing

Reageren? Mail dan naar ermelosweekblad@bdu.nl.

Mail de redactie
Meld een correctie

Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie